Stefan Blonk | Moe Hartring
261
post-template-default,single,single-post,postid-261,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,boxed,select-child-theme-ver-1.0.0,select-theme-ver-4.4.1,,wpb-js-composer js-comp-ver-5.4.7,vc_responsive

Moe Hartring

Moe Hartring

 

 

In mijn familie is het heel gebruikelijk om namen, plaatsnamen, straatnamen en namen van mensen, verkeerd uit te spreken. Mijn opa was er erg goed in, maar hij was niet de enige. Vaak als een naam of zelfs een woord eenmaal verkeerd uitgesproken werd, nam iedereen binnen de familie het ook nog zo over. Zo was de Casuariestraat de Kasjewijlenstraat en “seats and sofa’s” werd ziets en sofs…

Toen mijn moeder, net 19, met tegenzin, mijn aangekondigde komst was de reden,  in de familie werd opgenomen, was dat al gelijk stof tot ruzie.  Mijn moeder snapte niet zo goed wat haar schoonvader bedoelde met “baravoise”. Hij sprak uit: baravwaaze. “Oh, u bedoelt “bavarois”…zei ze. Onberispelijk Frans uitgesproken. En dat viel niet in goede aarde. ” Baravoise heet dat, ik zal het toch weten, eet het al mijn hele leven!” schreeuwde hij haar in plat Haags toe.

Een paar straten verderop woonde mijn oma van moeders kant. Mijn oma was al lang weduwe, mijn andere opa heb ik nooit gekend. Ze was vrij klein en liep vrij krom. De oorlog had haar zwaar getroffen en die last leek nooit van haar schouders gekomen. Daarom noemde wij, de kleinkinderen, haar “kleine oma”. En dat was toch echt een eretitel. Kleine oma en opa van vaders kant waren water en vuur. Mijn opa, vaak de grote bek zelve, bleef toch het liefst bij haar uit de buurt. En die gevoelens waren wederzijds.

Ze woonde in een smalle, vrij donkere straat zonder bomen. De enige boom was in de straatnaam: de Elsstraat. De huizen waren allemaal portiekwoningen. Aan beide zijden van de inspringende stenen trap was er een voordeur van de benedenwoning. Naast de deur een raam. Tegenover kleine oma woonde moe Hartring. Een oudere vrouw met een enorme boezem, die altijd achter haar raam zat. Ze zat in een grote leunstoel. Ik had altijd het gevoel dat, omdat ze zo dik was, ze nooit uit die stoel kon komen.

Meestal stond het schuifraam open. Aan beide kanten van het raam waren grote spiegels gemonteerd. Moe Hartring hield de straat goed in de gaten. Ze was zo iemand die  het leven liever observeert dan er aan mee doet.

Heel vaak stonden er dames met boodschappentassen aan het raam van moe Hartring. Ik dacht als kind altijd dat ze haar zielig vonden en uit beleefdheid een praatje maakten. Maar mijn moeder vertelde dan, dat moe helemaal niet zielig was en in het bezit was van een kwade tong en er niets dan gif uit haar mond kwam. Dat maakte wel indruk. Een kwade tong, gif, daar moest je dus voor oppassen. Ik was waarachtig bang dat ze me zou bijten. Nooit liep ik nog over haar stoep, altijd aan de overkant. En dan vooral niet kijken. Eén keer riep ze me toe: ” jij bent er één van Smit, toch, is je moeder nou toch nog getrouwd met die slagerszoon?” Maar ik gaf geen antwoord en liep stug door.

Maar nu ik dit schrijf denk ik telkens: was het nou moe Hartring, moe Harting, moe Hatting of moe Hartink??

No Comments

Post a Comment